Veel percelen
hebben een erfdienstbaarheid, ook wel genoemd ‘recht van overpad’. Dit is
meestal notarieel vastgelegd.
Ook kan een
onderlinge schriftelijke overeenkomst geldig zijn.
Denk alleen maar aan
wegen, waarvan ieder stukje een andere eigenaar heeft. Sommigen hebben wel 10x
recht van overpad notarieel vast moeten leggen om door het bos naar hun huis te
kunnen gaan.
Erfdienstbaarheid
is ingewikkeld en kan jaren bestaan zonder dat de eigenaar dit weet.
Het leidt dikwijls
tot grote onduidelijkheden, waardoor vervelende discussies en irritaties kunnen
ontstaan.
Omdat velen in
Oosterduinen hiermee te maken hebben, kunt u hier lezen wat er in het Wetboek
over staat.
Het is raadzaam om
bij onduidelijkheden een expert hierover te raadplegen.
ter info:
Dienende erf verleent overpad
Heersende erf krijgt overpad
Burgerlijk
Wetboek Boek 5: Titel 6. Erfdienstbaarheden
Artikel 70
1. Een erfdienstbaarheid is
een last, waarmede een onroerende zaak het dienende erf ten behoeve van een andere onroerende zaak -
het heersende erf - is bezwaard.
2.
In de akte van vestiging van een erfdienstbaarheid kan aan de eigenaar van het
heersende erf de verplichting worden opgelegd aan de eigenaar van het dienende
erf op al dan niet regelmatig terugkerende tijdstippen een geldsom - de
retributie - te betalen.
Artikel
71
1.
De last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, bestaat in een
verplichting om op, boven of onder een der beide erven iets te dulden of niet
te doen. In de akte van vestiging kan worden bepaald dat de last bovendien een
verplichting inhoudt tot het aanbrengen van gebouwen, werken of beplantingen
die voor de uitoefening van die erfdienstbaarheid nodig zijn, mits deze
gebouwen, werken en beplantingen zich geheel of gedeeltelijk op het dienende
erf zullen bevinden.
2.
De last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, kan ook bestaan in
een verplichting tot onderhoud van het dienende erf of van gebouwen, werken of
beplantingen die zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf bevinden of zullen
bevinden.
Artikel
72
Erfdienstbaarheden
kunnen ontstaan door vestiging en door verjaring.
Artikel
73
1.
De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald
door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent
ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder
trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is
in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend.
2.
Niettemin kan de eigenaar van het dienende erf voor de uitoefening van de
erfdienstbaarheid een ander gedeelte van het erf aanwijzen dan waarop de
erfdienstbaarheid ingevolge het vorige lid dient te
worden
uitgeoefend, mits deze verplaatsing zonder vermindering van genot voor de eigenaar
van het heersende erf mogelijk is. Kosten, noodzakelijk voor zodanige
verandering, komen ten laste van de eigenaar van het dienende erf.
Artikel
74
De
uitoefening der erfdienstbaarheid moet op de voor het dienende erf minst
bezwarende wijze geschieden.
Artikel
75
1.
De eigenaar van het heersende erf is bevoegd om op zijn kosten op het dienende
erf alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid
noodzakelijk is.
2.
Hij is eveneens bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf gebouwen, werken
en beplantingen aan te brengen, die voor de uitoefening van de
erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.
3.
Hij is verplicht het door hem op het dienende erf aangebrachte te onderhouden,
voor zover dit in het belang van het dienende erf nodig is; hij is bevoegd het
weg te nemen, mits hij het erf in de oude toestand terugbrengt.
4.
De eigenaar van het dienende erf heeft geen recht van gebruik van de gebouwen,
werken en beplantingen, die daarop door de eigenaar van het heersende erf
rechtmatig zijn aangebracht.
5.
In de akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken.
6.
In geval van mandeligheid zijn in plaats van de leden 3 en 4 de uit dien hoofde
geldende regels van toepassing.
Artikel
76
1.
Wanneer het heersende erf wordt verdeeld, blijft de erfdienstbaarheid bestaan
ten behoeve van ieder gedeelte, ten voordele waarvan zij kan strekken.
2.
Wanneer het dienende erf wordt verdeeld, blijft de last rusten op ieder
gedeelte, ten aanzien waarvan naar de akte van vestiging en de aard der
erfdienstbaarheid de uitoefening mogelijk is.
3.
In de akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken.
Artikel
77
1.
Behoort het heersende of het dienende erf toe aan twee of meer personen, hetzij
als deelgenoten, hetzij als eigenaars van verschillende gedeelten daarvan, dan
zijn zij hoofdelijk verbonden tot nakoming van de uit de erfdienstbaarheid
voortvloeiende geldelijke verplichtingen die tijdens hun recht opeisbaar
worden, voor zover deze niet over hun rechten zijn verdeeld.
2.
Na overdracht of toedeling van het heersende of het dienende erf of van een
gedeelte daarvan of een aandeel daarin zijn de verkrijger en zijn
rechtsvoorganger hoofdelijk verbonden voor de in lid 1 bedoelde geldelijke
verplichtingen die in de voorafgaande twee jaren opeisbaar zijn geworden.
3.
In de akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken, doch van het
tweede lid niet ten nadele van de verkrijger.
Artikel
78
De
rechter kan op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid
wijzigen of opheffen:
a. op
grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de
erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd:
b.
indien ten minste twintig jaren na het ontstaan van de erfdienstbaarheid zijn
verlopen en het ongewijzigd voortbestaan van de erfdienstbaarheid in strijd is
met het algemeen belang.
Artikel
79
De
rechter kan op vordering van de eigenaar van het dienende erf een
erfdienstbaarheid opheffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk is
geworden of de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de
uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening
of het redelijk belang daarbij zal terugkeren.
Artikel
80
De
rechter kan op vordering van de eigenaar van het heersende erf de inhoud van
een
erfdienstbaarheid,
wanneer door onvoorziene omstandigheden de uitoefening blijvend of tijdelijk
onmogelijk is geworden of het belang van de eigenaar van het heersende erf
aanzienlijk is verminderd, zodanig wijzigen dat de mogelijkheid van uitoefening
of het oorspronkelijke belang wordt hersteld, mits deze wijziging naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de eigenaar van het dienende erf
kan worden gevergd.
Artikel
81
1.
De rechter kan een vordering als bedoeld in de artikelen 78-80 toewijzen onder
door hem te stellen voorwaarden.
2.
Rust op een der erven beperkt recht, dan is de vordering slechts toewijsbaar,
indien de beperkt gerechtigde in het geding is geroepen. Bij het oordeel of aan
de maatstaven van de artikelen 78 onder a., 79 en 80 is voldaan, dient mede met
zijn belangen rekening te worden gehouden.
Artikel
82
1.
Indien de eigenaar van het heersende erf uit hoofde van de aan de
erfdienstbaarheid verbonden lasten en verplichtingen op zijn kosten afstand van
zijn recht wil doen, is de eigenaar van het dienende erf gehouden hieraan mede
te werken.
2.
In de akte van vestiging kan voor de eerste twintig jaren anders worden
bepaald.
Artikel
83
Indien
op het tijdstip waarop het heersende en het dienende erf één eigenaar
verkrijgen, een derde een der erven in huur of pacht of uit hoofde van een
ander persoonlijk recht in gebruik heeft, gaat de erfdienstbaarheid pas door
vermenging teniet bij het einde van dit gebruiksrecht.
Artikel
84
1.
Hij die een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een onroerende zaak
heeft, kan een erfdienstbaarheid ten behoeve van deze zaak bedingen. Hij kan
haar ook met een erfdienstbaarheid belasten.
2.
Erfdienstbaarheden, bedongen door een beperkt gerechtigde ten behoeve van de
zaak waarop zijn recht rust of door een opstaller ten behoeve van de opstal,
gaan bij het einde van het beperkte recht slechts teniet, indien dit in de akte
van vestiging van de erfdienstbaarheid is bepaald. Blijft de erfdienstbaarheid
voortbestaan, dan staat een beding als bedoeld in artikel 82 lid 2 niet langer
aan afstand van de erfdienstbaarheid in de weg.